Tradities en streekdracht
Een leven lang omgeven we ons graag met tradities en rituelen. Het is iets van alle tijden en culturen dat belangrijke veranderingsmomenten in het leven worden gemarkeerd met gebruiken. Het zijn veelal tradities rond geboorte, huwelijk en dood en ieder tijdperk heeft daarvoor zijn eigen vormen, meestal gebaseerd op tradities die ver teruggaan. Ook de streekdrachten, waarin sieraden een belangrijke rol speelden, gingen met vele gebruiken gepaard. Vroeger vertegenwoordigde kleding, met sieraden en linnengoed bezit. Er werd veel tijd en aandacht aan besteed, er werd zuinig mee omgegaan en er werd mee gepronkt.

Behoud van het streekeigen
Ons land was vroeger rijk aan streekdrachten. Streekdrachten zijn een deel van de geschiedenis. De streekdrachten ontstonden vroeg in de 19de eeuw. Juist in die tijd van grote veranderingen – ontwikkeling infrastructuur, modernisering en later industrialisatie en verstedelijking, – groeide de behoefte om te behouden wat eigen was.

Kleding viel onder te verdelen in de  ‘daagse’ kleding voor het werk, de ‘opknappertjes’ voor aan het einde van de dag en het ‘mooiste goed’, dat werd gedragen naar de kerk op zondag en bij huwelijken en feesten. Soms kon men de uitgave voor een nieuwe doek of beuk niet bekostigen en was men genoodzaakt deze voor b.v. een stuiver te huren. Anderzijds stond alles in het teken van zo’n gebeurtenis en vierde men een hele week feest, die op de dag van het huwelijk een climax bereikte. Alles werd rijk versierd met gekleurde papieren slingers en hoepels en het was gebruikelijk de voordeuren van de wederzijdse ouders geheel met stijfsel in te smeren en met confetti en ander papieren knipsels te versieren.

De Zeeuwse eilanden en voormalige eilanden, elk met een eigen karakter, zorgden voor een grote verscheidenheid aan streekdrachten, iedere dracht met zijn eigen details. Aan de dracht kon men veel aflezen: rangen en standen, godsdienst, de streek en de plaats waar men vandaan kwam en ook kon iemand met rouwkleding aangeven dat er sombere tijden werden doorgemaakt.

De gebruiken en tradities bij het overlijden van een naaste waren talrijk. Klokken werden stilgezet, schilderijen en spiegels werden omgekeerd, de schoorsteenmantel werd leeggemaakt en soms werden de luiken van het huis zes weken gesloten. In sommige streken droegen vrouwen tien tot twaalf jaar rouwdracht; soms legde men de rouwkleding zelfs nooit meer af. Alle kleur en glans verdween. Strikken en sierspelden werden niet meer gedragen en men droeg doffe zwarte kralen van glas of steen aan een bescheiden gouden slot met zwarte steen of gitten. De bloedkoralen liet men achterwege. Het oorijzer bleef om functionele redenen gehandhaafd, maar om dit in de muts te spelden gebruikte men spelden met zwarte knoppen. 

Twintig drachten
Toen in 1894 koningin Wilhelmina de provincie Zeeland bezocht, poseerden voor haar circa dertig Zeeuwse vrouwen in dracht. Een aantal van hen had een historisch kostuum uit de kast gehaald, om te laten zien hoe het vroeger was. Bij elkaar telde Zeeland op dat moment maar liefst zo’n twintig verschillende levende drachten.
Twee oorlogen hebben onherstelbare schade aan de dracht toegebracht. Tussen mei 1945 en 1970 waagden 23.000 Zeeuwse vrouwen de stap en gingen uit de dracht. Ook de watersnoodramp van 1953 bracht schade toe. Het eindpunt is nu bijna bereikt. In Zeeland zijn aan het begin van de 21ste eeuw nog zo’n 100 oudere vrouwen in streekdracht te vinden en ieder jaar wordt dit aantal kleiner.

Typische kledingstukken
Met het verdwijnen van de dracht verdwenen ook de kledingstukken met hun specifieke namen.
Uit een boedel uit 1803 tekent men op: ‘vrouwenkleederen: een damast blaauwe keurs (keus = rok) , vier catoene mantels, twee kaphoeden met roode zijde voering, vijf taarlinge schortekleeden (= zodanig netjes gevouwen schort, dat bij het dragen de vouwen in ruit/dobbelsteenpatroon zichtbaar bleven), vijf strijkbanden, een bennetje (= mandje) met drie neteldoeke doeken, vier mutsen met kant, twee beuken (beuk = tweedelig kleurig kledingstuk, dat borst en rug bedekt), een paar biese mouwen, een spaanne doos met vrouwe mutsen en kindergoed, drie paar vrouwe moffen, twee gebloemde schortekleeden, een catoene zakdoek, een paar vrouwe koussen, een paar kamuisleere schoenen’.

‘Goud en zilver ten lijve van de vrouw: een zilveren haak en oog voor een schort, een zilveren hoofdijzer met goude krullen (= de spiraalvormige uiteinden van het hoofdijzer), twee zwarte bellen met zilvere oogjes, drie toeren roode coraalen met een goud slot, een paar goude bellen met parels, een paar zwarte belletjes, een paar zilvere vrouweschoengespen, twee kerkboeken met zilvere slooten en een zilvere beugel met haak en tas’. Ook verdwenen er bijzondere ambachten als jakkennaaisters, mutsenopmaaksters en paardenmessnijder.

Copyright © 2011 Zeeuwse Sier.